Waarom onderwijsdebatten vaak niet verder komen

Een tijd terug heb ik met een groep kritische mensen uit het onderwijs een sessie ‘logische deductie op het onderwijs’ gedaan. Mijn verwachting was dat we er zo uit zouden zijn, maar dat had ik helemaal verkeerd ingeschat. We zijn er helemaal niet uitgekomen.
Pas later, tijdens een conversatie op LinkedIn met één van de deelnemers werd me pas echt duidelijk waarom het niet lukte.
Er is een fundamenteel verschil tussen normatief denken en logisch denken. In het onderwijs zijn de meeste mensen uitstekend getraind in normatieve debatten: comfortabel discussiëren over wat goed, wenselijk, soms, kan of meestal zou moeten, met uitspraken die logisch en ethisch correct lijken. Het probleem is dat zulke stellingen zelden expliciet genoeg zijn om ze te toetsen; ze zeggen veel over wenselijkheid, maar bijna niets over oorzaak en gevolg. Bovendien ontbreekt vaak het benoemen van het kernprobleem: zonder helder vastgestelde oorzaak riskeren we dat discussies vooral symptomen behandelen in plaats van de structurele oorzaken van problemen. Normatieve uitspraken klinken veelal overtuigend, maar leveren geen toetsbare inzichten waarmee onderwijs daadwerkelijk verbeterd kan worden.
Welke noodzakelijke voorwaarden?
Logisch deduceren is hard werken. Het gaat erom aannames expliciet te maken, voorwaarden te zoeken die echt noodzakelijk zijn, consequenties te beschrijven die echt onvermijdelijk zijn. Dat vraagt doorzettingsvermogen, reflectie, creativiteit en heel veel kennis en ervaring over en met de materie.
Het deduceren liet zien dat het kernprobleem van het reguliere onderwijs is “collectieve opgelegde doelen”. Een deelnemer was het er niet mee eens en schreef: “Tijdelijk opgelegde doelen kunnen veerkracht vergroten”. Dit normatieve statement klinkt logisch en overtuigend, en haalt de hele deductie onderuit als het waar is. Maar ze was nog niet specifiek genoeg. “Opgelegde doelen kunnen…”. Dat roept de vraag op: wanneer wel en wanneer niet? Onder welke noodzakelijke voorwaarden draagt een opgelegd doel bij aan veerkracht? Wat moet aanwezig zijn? Wat moet ontbreken? Pas als dat helder is, kunnen we er mee verder.
Toch kon deze stelling niet aan de deductie worden toegevoegd. Want als een opgelegd doel wordt gedefinieerd als een doel zonder instemming en met consequenties bij niet-naleving, dan kan zo’n doel per definitie geen veerkracht voortbrengen. In alle gevallen waarin een vermeend opgelegd doel toch bijdraagt aan veerkracht, blijkt bij nadere analyse dat er ofwel was sprake van instemming, expliciet of impliciet, ofwel geen duidelijke bijdrage was aan de veerkracht. Zodra instemming aanwezig is, spreken we logisch gezien niet langer van een opgelegd doel in strikte zin.
Normatieve stellingen klinken vaak logisch en wenselijk. Deductie kijkt echter of ze ook echt waar kunnen zijn, of dat er cruciale voorwaarden ontbreken. Het kan streng overkomen, maar wie het systeem echt wil doorgronden om het te veranderen, heeft dit gereedschap echt nodig.
0 reacties