Het curriculum, het kernprobleem

Ons onderwijssysteem draait om jaarklassen en een verplicht curriculum. Deze vorm is niet ontstaan vanuit onderzoek naar leren of ontwikkeling, maar uit historische behoefte aan gehoorzaamheid. In het Pruisen van 200 jaar geleden moesten burgers gedisciplineerde soldaten worden. Later, aan het begin van de industriële revolutie, wilde men vooral volgzame arbeiders die konden lezen, schrijven en rekenen. Het jaarklassensysteem met een vast leerprogramma voldeed aan die eisen en werd wereldwijd ingevoerd.

Maar de wereld is veranderd. We hebben geen gehoorzame fabrieksarbeiders meer nodig, maar mensen die zichzelf kennen, initiatief nemen, samenwerken en verantwoordelijkheid dragen. Toch is het onderwijssysteem nauwelijks mee veranderd.

Waarom jaarklassen een curriculum nodig hebben

Een school met jaarklassen heeft per definitie een curriculum nodig. Waarom zou je anders alle kinderen van hetzelfde geboortejaar bij elkaar zetten? De aanname is dat zij “aan dezelfde stof toe” zijn, zodat de docent deze maar één keer hoeft uit te leggen.

Maar kinderen zijn geen identieke bouwpakketten. Niet ieder kind leert op hetzelfde moment, in hetzelfde tempo of op dezelfde manier. Een opgelegd leerdoel leidt daarom bijna altijd tot frictie. Kinderen leren die stof vaak niet vrijwillig. Dus worden beloningen, toetsen, sancties en “motivatie”-technieken ingezet om dat leren alsnog af te dwingen.

Dwang klinkt hard. Toch is het precies wat er gebeurt wanneer leerdoelen collectief opgelegd worden. We noemen het liever motiveren of stimuleren, maar de kern blijft: het kind heeft geen keuze.

Wat leren we ze écht?

Op school leren kinderen niet alleen rekenen of taal, ze leren ook hoe ze moeten voldoen. Wie structureel moet doen wat een ander zegt, leert zichzelf wegcijferen. Intrinsieke motivatie verdwijnt. En wie eenmaal gewend is zich te conformeren, zal dat ook blijven doen in werk en leven – zelfs als het wringt.

Dit heeft een prijs. Onderwijs draagt bij aan stress, faalangst, bore-outs, DSM-labels, thuiszitters, laag of juist overschat zelfbeeld. De leerling leert: “Als ik me aanpas, krijg ik rust.” Niet: “Wie ben ik? Wat wil ik bijdragen?”

De ironie is dat deze schade ontstaat binnen een systeem dat zegt kinderen voor te bereiden op de maatschappij. Maar de structuur van school lijkt daar helemaal niet op. In het echte leven kies je je werk, je omgeving, je doelen. Als volwassene mag je stoppen, veranderen, opnieuw beginnen. Op school moet je dóór. Zelfs als het niet past, niet werkt of je ziek en ongelukkig maakt.

Curriculum en samenleving: een mismatch

Het curriculum is een kleine, door anderen gekozen selectie uit alles wat er te leren valt. Die selectie wordt vertaald in kerndoelen en eindtermen, omdat men denkt: kinderen komen deze kennis anders niet vanzelf tegen.

Maar waarom niet?

Omdat school niet georganiseerd is zoals het leven. Het is een gesimuleerde wereld waarin kinderen niet zelf bepalen wat ze doen, met wie, of waarom. Alles wordt extern gestuurd. Terwijl in een echt leven leren juist ontstaat uit doen – uit nieuwsgierigheid, noodzaak, relaties, problemen, dromen. Vrijheid dus.

Een kind dat jaren in zo’n gecontroleerde omgeving heeft doorgebracht, reageert vaak hetzelfde als een legbatterijkip die voor het eerst losgelaten wordt. Die blijft in het begin stokstijf staan, niet gewend om zelf keuzes te maken. Veel kinderen die overstappen naar vrijere vormen van onderwijs vragen dan ook: “Wanneer krijgen we weer les?” – ze zijn vergeten dat leren voortkomt uit leven, niet andersom.

Waarom aanpassingen binnen het systeem niet genoeg zijn

De afgelopen decennia zijn talloze onderwijsvernieuwingen geprobeerd – maar altijd binnen de setting van het verplichte curriculum. Ook veel onderzoek naar leerstrategieën houdt die basis als vanzelfsprekend. Maar zoals Einstein zei: “Je kunt een probleem niet oplossen binnen het paradigma waarin het ontstaan is.”

Als we willen dat mensen in vrijheid leren leven, dan moeten we ze ook in vrijheid leren leren. Dat vraagt om een radicale herziening: richt school in zoals het echte leven. Laat kinderen hun eigen eindtermen bepalen, net zoals ze dat hun hele verdere leven zullen doen. Laat hen ervaren wat verantwoordelijkheid betekent, wat samenwerken vraagt, wat je kunt leren als iets echt betekenis voor je heeft.

Wat als we het anders doen?

We leven in een wereld vol crises: klimaat, zorg, geld, wonen, vertrouwen. Al die systemen worden draaiende gehouden door mensen die het reguliere onderwijs hebben doorlopen. Die hebben geleerd te volgen, te presteren, te voldoen – maar niet om samen op nieuwe manieren te denken, voelen en handelen.

Hoe zou het zijn als kinderen leren wie ze zijn – in plaats van wie ze moeten zijn? Als ze hun oordeel leren uitstellen, hun behoeften leren delen, gelijkwaardig besluiten leren nemen, conflicten leren oplossen en relaties leren onderhouden? Als ze niet onderwezen worden in wat te denken, maar begeleid in hoe te leven?

Dat zijn de vaardigheden die de toekomst nodig heeft. Ze staan niet in het curriculum. En als ze er al in staan, laat de setting van dwang en ongelijkwaardigheid nauwelijks ruimte om ze écht te oefenen.

De vraag is dus niet: hoe verbeteren we het curriculum?
De vraag is: durven we het opgelegde curriculum los te laten?